Advies

 

Trips

Het in een vroeg stadium verwijderen van bloemknoppen en pluizen (voordat de takken worden ingebogen) is essentieel voor het slagen van de geïntegreerde bestrijding van trips. Introduceer Hypoaspis aculeifer bodemroofmijten (50/m²) op de matten of op de potten voor de bestrijding van trips poppen. Herhaal dit na enkele weken en strooi later ook Hypoaspis onder het gewas.

Zet Amblyseius swirskii kweekzakjes uit zodra de tripstellingen op de vangplaten (Horiver) zich minimaal 3 weken op een laag niveau bevinden: (0-1/week op blauwe vangplaten). Zet elke 4 weken 4.000 kweekzakjes per ha in. Muizen en ratten zijn gek op de zemelen in de kweekzakjes en kunnen in korte tijd veel zakjes beschadigen en leegeten. Strooi daarom regelmatig muizenkorrels.

Het is ook mogelijk om A. swirskii en andere roofmijten (bv. Amblyseius californicus, Phytoseiulus persimilis) toe te passen door verblazen. Dit bespaart arbeid en geeft een heel gelijkmatige verdeling van de roofmijten in het gewas.

 

Witte vlieg

De inzetstrategie van Amblyseius swirskii kweekzakjes genoemd bij trips is ook effectief voor de bestrijding van witte vlieg. Zet op beginnende witte vlieg plekjes wekelijks 6 sluipwespen/m² uit (Encarsia formosa + Eretmocerus eremicus), minimaal 6 introducties. Op echte haarden is een hoge dosering Eretmocerus eremicus op zijn plaats: wekelijks 10/m², minimaal 4 introducties. Als niet vaak tegen meeldauw gespoten hoeft te worden kan MYCOTAL en ADDIT gebruikt worden als correctiemiddel, zonder de natuurlijke vijanden schade toe te brengen. Corrigeer indien nodig tijdig met selectieve middelen.

 

Start met de eerste introductie op het moment dat de plaagdruk aan trips en witte vlieg in het gewas laag is. Hang minimaal 4.000 kweekzakjes per hectare op. De zakjes moeten iedere 6 weken worden uitgezet. De tweede introductie bij voorkeur tussen de zakjes van de eerste introductie uitzetten.

Combineer de introductie van A. swirskii, bij rassen die gevoelig zijn voor witte vlieg, altijd met het uitzetten van de sluipwespen Encarsia formosa en Eretmocerus eremicus (6 per m² per week). De combinatie van de roofmijt A. swirskii die voornamelijk de eieren en de crawlers (eerste larve stadium) van de witte vlieg predeert en de sluipwespen, die zich vooral op het tweede, derde en vierde larve stadium van de witte vlieg richten is sterk omdat ze elkaar goed aanvullen.

A. swirskii levert ook een bijdrage aan de trips en spintbestrijding. Zet tegen spint de natuurlijke vijanden Phytoseiulus persimilis, Amblyseius californicus of Feltiella acarisuga uit.