Advies

 

Monitoring

Gebruik gele vangkaarten (Horiver) voor het signaleren van witte vlieg, trips en mineervlieg: 1 kaart per cultivar, meerdere in gevoelige cultivars.

 

Witte vlieg

Het is belangrijk in een zo schoon mogelijke situatie te starten, na een chemisch opruimschema in de wintermaanden. Start half februari met Amblyseius swirskii kweekzakjes: 8.000 zakjes/ha. Herhaal na 4, 8 en 12 weken met 4.000 zakjes/ha. Pas dosering en introductie interval aan op gevoeligheid van cultivar voor witte vlieg. Amblyseius swirskii kan zich goed vestigen in gerbera, en op een laag plaagniveau is een goed evenwicht mogelijk.

Start half maart met de introductie van sluipwespen (mengsel van Encarsia formosa en Eretmocerus eremicus). Schakel na 5 introducties over naar puur Eretmocerus eremicus.

Corrigeer haarden vroegtijdig. Strooi extra A. swirskii op haarden: 100-500/m2, en/of spuit deze met Verticillium lecanii (Mycotal) + plantaardige olie (Addit). Gebruik hierbij 2000 liter spuitvloeistof per ha en raak het gewas goed aan de onderzijde.

Deze strategie kan in de zomerperiode voor een goede bestrijding zorgen. In de winterperiode zijn de teelttemperaturen te laag voor goed functioneren van roofmijt en sluipwespen, terwijl witte vlieg toch gewoon doorgaat.

 

Trips

De bodemroofmijt Hypoaspis aculeifer draagt bij aan de bestrijding door prederen van tripspoppen. Introduceer 100-200 roofmijten /m² op of bij de potten.

Wanneer regelmatig A. swirskii wordt uitgezet tegen witte vlieg, of een goede populatie van deze roofmijten aanwezig is, geeft dit voldoende bestrijding van trips. Als er geen A. swirskii is ingezet, A. cucumeris kweekzakjes introduceren: 1 zakje/5 m2 elke 6-7 weken herhalen. Bij hogere infectie van trips ook Orius laevigatus  inzetten: 3-5 roofwantsen/m2 en na 1 week herhalen.