Voorlopig advies
Zet in moerplanten 4.000 kweekzakjes A.swirskii per hectare uit. Indien A. swirskii zich niet in het gewas vestigt moet deze introductie iedere 4-6 weken worden herhaald. Mogelijk kan de roofmijt populatie beter op peil blijven door regelmatig verdeeld in het gewas uitgebloeide bloemen te laten staan om stuifmeel te leveren als alternatief voedsel voor de roofmijten.
In de teelt kan extra A. swirskii in strooikokers uitzet worden op gevoelige soorten. Zet op regelmatige basis P. persimilis uit en extra op haarden.
Afhankelijk van de witte vlieg soort die in het gewas aanwezig is zullen ook de sluipwespen Encarsia formosa, Eretmocerus eremicus of Eretmocerus mundus moeten worden uitgezet.
De combinatie van de roofmijt A. swirskii die voornamelijk de eieren en de crawlers (eerste larve stadium) van de witte vlieg predeert en de sluipwespen, die zich vooral op het tweede, derde en vierde larve stadium van de witte vlieg richten is sterk omdat ze elkaar goed aanvullen.