Introductiemethoden
Op deze pagina worden diverse introductiemethoden beschreven. Raadpleeg de pagina Gewassen voor specifieke informatie over uw gewas.
Strooikokers
Amblyseius swirskii wordt geleverd in strooikokers vermengd met zemelen. Er zijn kokers met verschillende inhoud en aantallen roofmijten. De kokers dienen vooral voor een (licht) curatieve introductie (zodra witte vlieg of trips aanwezig is). In gewassen met geschikt stuifmeel zoals paprika en aubergine, kunnen de roofmijten in de koker preventief worden uitgezet zodra er bloei is. Ook wordt het product in kokers gebruikt om toe te passen middels een verblazer (zie hieronder).

Kweekzakjes
Net als voor de roofmijt Amblyseius cucumeris zijn er ook voor A. swirskii kweekzakjes ontwikkeld. Deze zakjes produceren gedurende 4-6 weken grote hoeveelheden roofmijten en kunnen middels een haakje eenvoudig in het gewas worden opgehangen.
Hier in het kort de voordelen van kweekzakjes:
- Preventieve inzet ook mogelijk in gewassen zonder stuifmeel.
- Snelle opbouw van de roofmijtenpopulatie.
- Gedurende 4-6 weken komt een grote hoeveelheid roofmijten in het gewas vrij.
- Bufferende werking; de gestage uitloop van roofmijten vangt negatieve effecten van eventueel aanwezige chemische residuen op. Er kan dus eerder worden uitgezet dan met strooikokers.
- Indien de bloei in gewassen zoals paprika tijdelijk wegvalt (en er dus minder stuifmeel is dan voedsel) blijven de zakjes onder deze minder gunstige omstandigheden toch voldoende roofmijten produceren.
- Makkelijk uit te zetten en geeft een goede en egale verdeling van de roofmijten in het gewas.
Kweekzakjes uitgehangen |
| Kweekzakje met |
Verblazen
Verblazen in gewassen als chrysant, roos en gerbera is het inzetten van biologische bestrijders lasting en tijdrovend. Echter met een (zelfrijdende) verblazer is enorme tijdwinst te boeken. Door eenvoudig de bestrijders in de reservoirs te doen en het apparaaat in te schakelen, worden de bestrijders snel en gelijkmatig over het gewas verdeeld. Na het verblazen gaan de roofmijten direct aan de slag. Er blijven geen zakjes of andere verpakkingsmaterialen in het gewas achter.
Klik hier voor het filmpje verblazen in chrysant.
Alternatieve introductiemethoden
Natuurlijke vijanden kunnen op verschillende manieren in een gewas worden geïntroduceerd. Roofmijten kunnen direct in het gewas worden gestrooid of verblazen, of als kweekjes in zakjes aan de planten worden gehangen. Hieronder worden twee alternatieve introductiemethoden beschreven. De eerste is introductie via bankerplanten en de tweede is introductie door het overleggen van bladeren. Deze methoden worden in de praktijk echter zelden toegepast.
Een bankerplant voor Amblyseius swirskii
Onder bankerplanten verstaat men levende planten die bedoeld zijn als lanceerbasis voor natuurlijke vijanden in een productiegewas. Voor verschillende roofmijten is de wonderboom Ricinus communis (Euphorbiaceae) zeer geschikt als bankerplant. De plant is een wind bestuiver en produceert doorlopend grote hoeveelheden stuifmeel (zie foto bloei). Naast stuifmeel produceert de plant extraflorale nectar vanuit klieren bij bladpunten en bij de stam. Zowel het stuifmeel als de nectar is een voedingsbron voor roofmijten. Door een bloeiende wonderboom tussen het teeltgewas te plaatsen (zie foto) is er voortdurend voedsel beschikbaar voor roofmijten en kan er populatieopbouw plaatsvinden in perioden zonder prooi. Dit is vooral interessant in gewassen zonder stuifmeel (komkommer, sierteelt). De wonderbomen kunnen tevens als overbrugging tijdens teeltwisselingen fungeren.
Bladoverlegging tijdens de teeltwisseling
Bij de teelt van vruchtgroenten onder glas is het gebruikelijk om na ieder teelt de kas grondig te reinigen en weer helemaal schoon te beginnen met jonge planten. Dit wordt gedaan om de risico's om ziekten en plagen mee te nemen naar de volgende teelt wordt zo veel mogelijk te beperken. Met deze werkwijze worden echter automatisch ook de opgebouwde populaties van natuurlijke vijanden afgevoerd en vernietigt. PPO onderzocht de mogelijkheden om bestrijders mee te nemen van de oude naar de nieuwe teelt. De grootste winst is te behalen bij een gewas als komkommer, omdat daar de teelten elkaar snel opvolgen en er weinig tijd is voor een opbouwperiode van natuurlijke vijanden.
Onderzoek van PPO wees uit dat het goed mogelijk is om een roofmijtenpopulatie gedurende een aantal teelten in stand te houden zonder deze opnieuw te introduceren. Dit kon bereikt worden door tijdens de teeltwisselingen bladeren of bloemen van de oude teelt gedurende een week koel te bewaren en dan over te leggen op de jonge planten in de nieuwe teelt (zie foto). Komkommerbladeren kunnen overgelegd worden aan het einde van een teelt. Nog beter is het om dit te doen op het moment dat de roofmijtenpopulatie een hoog niveau heeft bereikt. Het eerder uitleggen van bladeren kan alleen op bedrijven die meerdere teelten van komkommer hebben staan met verschillende teeltperiodes. Bij de methode van bladoverlegging moet het volgende in acht worden genomen:
- selecteer relatief jonge bladeren die vrij zijn van ziekten en plagen
- de beste resultaten worden bereikt door de bladeren te plukken op het moment dat er een hoge roofmijtdichtheid aanwezig is (minimaal 20 roofmijten per blad).
- Komkommerbladeren met roofmijten kunnen het beste bewaard worden in een plastic zak bij 7ºC voor maximaal een week
Wilt u meer weten over de onderzoeksresultaten met alternatieve introductiemethoden?
Klik dan op de volgende bestanden om de verslagen te downloaden.
rapport WUR Ricinus communis (pdf)
rapport WUR bladoverlegging (pdf)
artikel 'Onder Glas' over duurzamer telen (pdf)






