Inleiding

 

Tegen trips werd de afgelopen jaren meestal gebruik gemaakt van de combinatie Amblyseius cucumeris, Orius laevigatus en Amblyseius degenerans. A. cucumeris was nodig om al direct vanaf de start van de teelt een goede bezetting roofmijten in het gewas te hebben. In de zomer nam A. degenerans het vaak over van A. cucumeris. De Orius roofwantsen zijn nodig voor een goede bestrijding van de volwassen trips. Doordat chemische middelen het bij de start van de teelt soms af laten weten kan trips in die situaties al direct aanwezig zijn. Jonge gewassen zijn extra gevoelig voor tripsschade. De tabakswittevlieg Bemisia tabaci kan vooral in een jaar met een warme zomer voor behoorlijke problemen zorgen. Enkel chemisch is deze witte vlieg lastig te bestrijden. Met behulp van de sluipwespen Eretmocerus eremicus, Eretmocerus mundus en de roofwants Macrolophus caliginosus is het resultaat al beter maar nog niet optimaal. De roofmijt Amblyseius swirskii blijkt in veel gevallen een afdoende oplossing voor tabakswittevlieg te bieden.